De praktische houdbaarheid van het pensioenakkoord

De inkt van het pensioenakkoord was nog niet droog of de eerste wijzigingen kondigden zich al aan. Agnes Jongerius en minister Kamp beslechtten een geschil over een mogelijk nadeel voor diegenen die zonder aanvullend werkgeverspensioen toch op 65-jarige leeftijd willen stoppen met werken. De Tweede Kamer liet zich ook niet onbetuigd in het laatste overleg dat zij voor het zomerreces had met minister Kamp. En het referendum onder FNV-leden staat op losse schroeven. Tijd voor een overzicht van een aantal redenen waarom het pensioenakkoord in de praktijk toch niet zou werken.

Zorgvuldig beleggen?
Een groot aantal leden van de Tweede Kamer heeft zijn zorgen uitgesproken over de mogelijke verruiming van het beleggingsmandaat aan pensioenfondsbesturen. Zij vragen het kabinet om zowel uit te gaan van een prudente discontovoet als om de perverse prikkel weg te nemen die stimuleert om risicovoller te beleggen wanneer een fonds in de problemen zit.

Commentaar Zwitserleven
Een terecht verzoek in onze ogen. Bij de uitvoering van beleggingsbeleid dienen namelijk het risicoprofiel en het beleggingsdoel met elkaar in evenwicht te zijn. Eén van de eerste lessen in beleggen is dat bij tegenvallende beleggingsresultaten het beleggingsdoel of de inleg moet worden aangepast. Nooit mag een hoger risico worden geaccepteerd om het beleggingsdoel ‘toch maar te halen’.

Jongeren betalen de rekening?
De kamerleden uitten grote zorgen over de houdbaarheid van de uitgangspunten collectiviteit en solidariteit bij dit pensioenakkoord. Gebaseerd op de angst dat uiteindelijk de huidige jongere generatie ‘de rekening gaat betalen’. Toekomstige verplichtingen contant maken met “verwachte rendementen” leidt tot de vrees van een onderschatting van de toekomstige verplichtingen en te hoge uitkeringen ten laste van het pensioenvermogen op korte termijn. Hierdoor zou structureel waarde van jonge naar oude generaties worden overgedragen.

Commentaar Zwitserleven
Deze zorg is terecht. Zeker als mensen steeds langer blijven leven en er dus ook langer moeten worden uitgekeerd dan destijds is berekend. Een groot aantal pensioenfondsen heeft nu al een dekkingsgraad die op een kritiek punt of te laag is. Eén mogelijke maatregel om dit probleem op te lossen, is om de tot op heden opgebouwde pensioenen te verlagen. Pensioenfondsbesturen en de sociale partners (die de pensioenfondsbesturen vormen) willen daartoe echter (nog) niet overgaan. Door de berekeningsmethodiek bij te stellen waarop toekomstige verplichtingen contant worden gemaakt, wordt geprobeerd het tij te keren. Deze maatregel zou kunnen werken. Maar als de verwachte (‘gewenste”?) rendementen niet worden gehaald en intussen de huidige ouderen wél hogere uitkeringen krijgen, dan zit er in de toekomst te weinig geld ‘in de pot’ om de noodzakelijke uitkeringen aan pensioengerechtigden te doen. En die toekomstige pensioengerechtigden zijn de jongeren van nu.

Voorwaardelijke pensioenuitkeringen met grotere mate van zekerheid over indexatie?
De bedoeling van het pensioenakkoord is om pensioenaanspraken voorwaardelijk te maken. Dat wil zeggen dat de hoogte van de uitkeringen gaat afhangen van de levensverwachting en de beleggingsresultaten. Deze maatregel geeft pensioenfondsen de mogelijkheid hun dekkingsgraad weer op niveau te brengen. Tegenover de voorwaardelijkheid van de uitkeringen moet een grotere mate van zekerheid komen te staan van toekomstige indexaties van de pensioenen.

Commentaar Zwitserleven
Wij zijn benieuwd hoe die grotere mate van zekerheid over de toekomstige indexaties vormgegeven gaat worden. Het zou merkwaardig zijn als de voorwaardelijkheid van de pensioenuitkeringen op zodanige wijze met zekerheid over indexaties wordt gecompenseerd dat per saldo geen ‘winst’ wordt geboekt.

En als het pensioenakkoord nu toch onhoudbaar is?
In de Tweede Kamer werd minister Kamp expliciet gevraagd of hij een ‘plan B’ heeft als het pensioenakkoord toch geen breed draagvlak krijgt bij sociale partners. Dat heeft hij niet, behalve de maatregelen in het wetsvoorstel dat hij begin mei naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Bij dat wetsvoorstel is er geen sprake van voorwaardelijkheid van pensioenaanspraken of een premiestabilisatie voor werkgevers en werknemers. Er wordt wel een verlaging van de fiscaal toegestane jaarlijkse pensioenopbouw doorgevoerd. Ook zal vanaf 2013 rekening moeten worden gehouden met een AOW- en pensioenleeftijd van 66 jaar in 2020. Of dat een alternatief is waar sociale partners op zitten te wachten, zal de komende maanden blijken.


Poul Gelderloos, Juridische Zaken
Praktijkgroep Pensioenrecht