De pensioenknip: een aantrekkelijk alternatief?

Deelnemers met een pensioenovereenkomst op basis van beleggingen zijn hard geraakt door de kredietcrisis. Zij zagen hun beleggingswaarde in korte tijd sterk dalen. Bij een lange beleggingshorizon kan de beleggingswaarde zich naar de toekomst toe nog herstellen. Ook kan het beleggingsrisico naar de pensioendatum toe worden verkleind door gebruik te maken van lifecycle beleggen. Maar wat als de pensioendatum binnenkort wordt bereikt? Dan kan de deelnemer een pensioenknip toepassen.

Aanleiding
Tweede Kamerlid Blok stelde eind 2008 het conversierisico bij een premieovereenkomst op basis van beleggingen aan de orde(1) . De beleggingen kunnen vlak voor de pensioendatum minder waard zijn. Omdat de beleggingswaarde op de pensioendatum omgezet moet worden in pensioenuitkeringen, wordt de (gewezen) deelnemer gedwongen zijn verlies te nemen. Hij kan niet meer profiteren van een eventueel herstel van zijn beleggingen in de toekomst. Ten tijde van de kamervraag van Blok was dat risico harde realiteit geworden. De slotkoers van de AEX stond op 31 december 2008 op 245,94. Ten opzichte van de slotkoers op 31 december 2007 was dit een daling van maar liefst 52 procent. Minister Donner toonde zich hierop bereid een wettelijke regeling te creëren voor de pensioenknip(2) .

Hoe werkt de pensioenknip?
Bij een pensioenknip wordt het pensioenkapitaal op de pensioendatum gesplitst in een deel dat direct wordt aangewend voor een tijdelijke pensioenuitkering (de ‘knipperiode’) en een deel dat later wordt aangewend voor een levenslange pensioenuitkering.
De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.

Voorbeeld
Kees is 65 jaar en heeft pensioenkapitaal opgebouwd van € 200.000,-. Bij een rekenrente van 4,65% kan hij voor dit kapitaal een levenslang ouderdoms¬pensioen aankopen van € 12.737,- per jaar. Voor zijn 63-jarige partner kan een levenslang partnerpensioen worden verzekerd van € 8.916,- per jaar. Kees is teleurgesteld in de hoogte van zijn pensioen en kiest voor een pensioenknip. Gedurende 5 jaar wordt een tijdelijk ouderdomspensioen en een tijdelijk partnerpensioen verzekerd van € 12.737,- respectievelijk € 8.916,- per jaar. Als Kees tijdens de knipperiode overlijdt wordt dit partnerpensioen levenslang uitgekeerd. Bij een uitkeringsduur van 5 jaar is de marktrente 2,85%. De koopsom voor het verzekeren van deze tijdelijke pensioenen bedraagt € 67.105,-. Het resterende kapitaal komt beschikbaar als Kees 70 jaar wordt.

Wanneer is de pensioenknip mogelijk?
De pensioenknip is mogelijk bij kapitaalovereenkomsten of (zuivere) premieovereenkomsten in de zin van de Pensioenwet. Bij een kapitaalovereenkomst is het eindkapitaal bepaald en zijn de premies daarvan afhankelijk. Bij een zuivere premieovereenkomst zijn de premies bepaald en is het pensioenkapitaal op de pensioendatum daarvan afhankelijk. Dit kan een gegarandeerd kapitaal zijn of een kapitaal op basis van beleggingen. Bij beschikbare premieregelingen op rentebasis komt op de pensioendatum geen pensioenkapitaal beschikbaar en kan dus geen pensioenknip worden toegepast. De pensioenknip bestaat uit een renteknip en (bij een kapitaal op basis van beleggingen) een beleggingsknip.

Beleggingsknip
Het kapitaal dat resteert na aankoop van de tijdelijke pensioenen wordt uiterlijk na afloop van de knipperiode aangewend voor het aankopen van een levenslange uitkering. Dit geschiedt tegen de dan geldende koersen en tarieven. Bij een pensioenkapitaal op basis van beleggingen kan Kees profiteren van een eventueel gunstig koersverloop tijdens de knipperiode. Uiteraard valt niet te voorspellen hoe beleggingen zich zullen ontwikkelen.

Voorbeeld
Na de pensioenknip is het resterende kapitaal van Kees € 200.000,- minus € 67.105,- = € 132.895,-. Stel dat het resterende pensioenkapitaal door (netto) beleggingswinst jaarlijks stijgt met 5%. Door deze stijging heeft Kees op zijn 70e een pensioenkapitaal van € 169.611,-.

Zonder de pensioenknip had Kees niet kunnen profiteren van een beursgroei. Het kan natuurlijk ook tegenvallen. Bij een negatieve ontwikkeling van de beleggingen leidt de uitgestelde aankoop juist tot een lagere uitkering! Op het beleggingsrendement kunnen kosten in mindering worden gebracht zoals beheer- en switchkosten (3). Bij het toepassen van een pensioenknip mag een pensioenuitvoerder daarnaast ook uitvoeringskosten in rekening brengen.

Renteknip
De hoogte van de uitgestelde uitkering hangt niet alleen af van de ontwikkeling van de beleggingen, maar ook van de ontwikkeling van de marktrente.
Bij een kapitaalovereenkomst kan de beleggingsknip niet worden toegepast, maar kan wel worden geprofiteerd van een stijging van de marktrente. Daarom kan de pensioenknip zowel bij een premieovereenkomst als bij een kapitaalovereenkomsten worden toegepast (4).   

Voorbeeld
Door pas op zijn 70e de levenslange uitkeringen aan te kopen hoopt Kees te profiteren van een gunstige ontwikkeling van de marktrente. Stel, de marktrente voor een levenslang pensioen (duur 25 jaar) bedraagt dan 4,65%. Voor een pensioenkapitaal van € 169.611,- kan hij op zijn 70e een levenslang jaarlijks ouderdomspensioen aankopen van € 12.273,-. Als Kees overlijdt, ontvangt zijn partner een levenslang jaarlijks partnerpensioen van € 8.590,-. Als de rekenrente echter gestegen zou zijn naar 5,15% (+10,7%), bedraagt het jaarlijks ouderdoms- en partnerpensioen € 12.807,- respectievelijk € 8.965,- (+4,4%).

Duidelijk is dat een stijging van de rekenrente zich niet één op één vertaalt in een stijging van de pensioenen. Ook zouden de tarieven voor het aankopen van direct ingaande levenslange pensioenen zich tijdens de uitstelperiode negatief kunnen ontwikkelen. Bijvoorbeeld door het inrekenen van een gunstigere levensverwachting.

Om het renterisico in te perken adviseert de AMF de pensioenuitvoerder om bij een premieovereenkomst met beleggingsvrijheid ‘inkoopgericht’ te beleggen (5). Hierbij wordt de laatste jaren voor de pensioendatum in langlopende obligaties belegd. De gedachtegang is dat de marktrente en de koers van obligaties zich tegengesteld bewegen; bij een dalende marktrente stijgt de koers van obligaties en andersom. Als Zwitserleven verantwoordelijk is voor de beleggingen (‘Zwitserleven Horizonbeleggen’), wordt inkoopgericht belegd. Het effect van schommelingen in de marktrente wordt daarmee gematigd.

Uitkering van tijdelijk partnerpensioen
Een eventueel partnerpensioen volgt de keuze die voor het ouderdomspensioen is gemaakt. Als het ouderdomspensioen gesplitst wordt aangekocht, betekent dat ook een splitsing in de dekking voor een eventueel partnerpensioen. Als gekozen is voor een partnerpensioen, wordt tijdens de knipperiode een tijdelijke partnerpensioendekking verzekerd (6). Bij overlijden van de gepensioneerde tijdens de knipperiode kan deze tijdelijke dekking aanspraak geven op een tijdelijke uitkering of een levenslange uitkering van partnerpensioen:
- bij een tijdelijke uitkering van partnerpensioen wordt na afloop van de knipperiode vanuit het resterende kapitaal een levenslang partnerpensioen aangekocht dat aansluit op de tijdelijke uitkering. Zo krijgt de partner toch een levenslange uitkering van partnerpensioen.
- bij een levenslange uitkering van partnerpensioen wordt de hiervoor benodigde (extra) koopsom bij aanvang van de knipperiode gefinancierd uit het kapitaal.

Duur knipperiode
De pensioenuitvoerder kan ervoor kiezen een standaard duur aan te bieden, of de keuze over te laten aan de (gewezen) deelnemer. In alle gevallen mag de duur van de tijdelijke uitkering maximaal 5 jaar bedragen. De gepensioneerde heeft echter altijd de mogelijkheid om al tijdens de looptijd van de tijdelijke uitkering met het resterende kapitaal een levenlange uitkering aan te kopen.

Voorbeeld
Kees is een knipperiode van 5 jaar overeengekomen. Omdat de beurskoers zich gunstig ontwikkelt, besluit hij na 2 jaar om de levenslange uitkeringen aan te kopen. De beleggingseenheden van zijn resterende kapitaal worden verkocht tegen de dan geldende koers. De opbrengst wordt tezamen met de tijdelijke uitkeringen omgezet in levenslange uitkeringen.

Het is aan de gepensioneerde om het juiste moment te bepalen waarop hij de levenslange uitkeringen wil aankopen. Tijdens de knipperiode ontvangt de gepensioneerde van de pensioenuitvoerder informatie over de hoogte van het resterende kapitaal en de hoogte van uitkeringen die hiermee aangekocht kunnen worden. Als de gepensioneerde geen besluit neemt, gaat de pensioenuitvoerder na afloop van de knipperiode zelf over tot aankoop van de levenslange uitkeringen.

Beleggingsrisico tijdens de uitstelperiode
Als de pensioenuitvoerder verantwoordelijk is voor de beleggingen, zorgt de pensioenuitvoerder ervoor dat de beleggingsrisico’s tijdens de knipperiode vergelijkbaar of lager zijn dan de risico’s voorafgaande aan de knipperiode. Als de gepensioneerde zelf verantwoordelijk is voor de beleggingen zijn er wettelijk geen beperkingen opgelegd aan het risico dat de gepensioneerde kan nemen. Wel dient de pensioenuitvoerder de gepensioneerde te adviseren over de spreiding van de beleggingen tijdens de uitstelperiode. De pensioenuitvoerder zal adviseren om (zeer) defensief te beleggen. De pensioendatum is immers bereikt en de resterende beleggingshorizon is kort. Bij het opvolgen van dit advies kan de gepensioneerde echter maar beperkt profiteren van een koersherstel.

Hoog/laag pensioen
De (gewezen) deelnemer mag de hoogte van zijn pensioen laten variëren. Op de pensioendatum moet de hoogte van de tijdelijke uitkering zich bevinden binnen een marge van 100:75 ten opzichte van de levenslange pensioenuitkering die op de pensioendatum zou kunnen worden aangekocht. Op het moment dat de levenslange uitkering daadwerkelijk wordt aangekocht, mag wel buiten de bandbreedte van 100:75 worden getreden. Als na de knipperiode door beleggingsresultaten of gewijzigde rentestand een hogere (of lagere) uitkering kan worden aangekocht, vindt dus geen begrenzing plaats door de bandbreedte. De na de knipperiode aan te kopen levenslange uitkering mag in de tijd niet variëren (behoudens indexatie).

Het is logisch om een pensioenknip te combineren met een hoog/laagconstructie. Men kiest immers voor een pensioenknip om hogere pensioenuitkeringen te verkrijgen. Een pensioenknip leidt echter op zijn vroegst pas na de knipperiode tot hogere uitkeringen. Door te kiezen voor een hoog/laag onstructie kan ook tijdens de knipperiode een hogere pensioenuitkering worden verkregen. Een verbetering van de beleggingen en/of rentestand moet dan wel optreden vóór het ingaan van de levenslange uitkering, anders wordt de gepensioneerde vanaf dat moment geconfronteerd met een nog lagere uitkering dan hij zou hebben gehad zonder hoog/laagconstructie.

Uitruilen van pensioen
In het pensioenreglement ligt vast of het pensioenkapitaal op de pensioeningangsdatum wordt aangewend voor ouderdomspensioen of voor een combinatie van ouderdoms- en partnerpensioen. Bij een combinatie van ouderdoms- en partnerpensioen ligt de verhouding tussen beide vast, bijvoorbeeld 100:70. De (gewezen) deelnemer heeft het recht om op de pensioeningangsdatum (een deel van) het ouderdomspensioen uit te ruilen voor een (hoger) partnerpensioen. Of om (een deel van) het partnerpensioen uit te ruilen voor een hoger ouderdomspensioen. Zo’n uitruil van pensioen kan ook worden gecombineerd met een pensioenknip. De pensioenknip wordt pas toegepast nadat de uitruil heeft plaatsgevonden. Uitruil kan maar op één moment plaatsvinden; de pensioeningangsdatum. Aan het einde van de knipperiode kan niet worden uitgeruild.

Tijdelijk karakter
De mogelijkheid om een pensioenknip toe te passen wordt slechts tijdelijk geboden. De pensioeningangsdatum moet vóór 1 januari 2014 liggen. De pensioenknip heeft een tijdelijk karakter omdat het conversierisico al beperkt kan worden door zodanig te beleggen dat het beleggingrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert (artikel 52 Pensioenwet). Daarnaast volgt uit de definitie van ouderdoms- en partnerpensioen in de Pensioenwet dat de hoogte van de uitkeringen vanaf de pensioendatum moeten vaststaan en de hoogte na ingang niet meer mag variëren op basis van onzekere factoren (met uitzondering van toeslagen). Bij toepassing van de pensioenknip wordt niet voldaan aan dit principe. Deze situatie wordt ondervangen door artikel 3a Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. De minister wil echter niet structureel een uitzondering op dit principe maken.

Andere opties
Afhankelijk van de pensioenregeling heeft de (gewezen) deelnemer alternatieven voor de pensioenknip:
- hoog/laagconstructie toepassen. Tussen leeftijd 65 en 70 kan het oorspronkelijke ouderdomspensioen hierdoor met ongeveer 17% worden verhoogd. Vanaf leeftijd 70 ligt het ouderdomspensioen ongeveer 12% lager dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen.
- uitruilen van partnerpensioen in ouderdomspensioen op de pensioendatum. Het uitruilen van € 1.000,- gelijkblijvend jaarlijks partnerpensioen levert ongeveer € 150,- extra jaarlijks ouderdomspensioen op.
- uitstellen van de pensioendatum. Door de pensioendatum uit te stellen van 65 naar 66 wordt het ouderdomspensioen ongeveer 8% verhoogd. Afhankelijk van de pensioenregeling wordt de pensioenopbouw tijdens de uitstelperiode voortgezet.
- omzetting van een aanspraak als gevolg van een levensloopregeling in een pensioenaanspraak.

Wat is verstandig?
De keuze voor een pensioenknip hangt uiteraard vooral af van het geloof in een herstel van de beurskoers en/of marktrente. Daarnaast speelt het klantprofiel (financiële positie, kennis van beleggen, beleggingservaring, doelstelling en risicobereidheid) een grote rol. Met name de gepensioneerde die zelf verantwoordelijkheid neemt voor de beleggingen en bereid is beleggingsrisico’s te lopen, kan optimaal profiteren van een gunstige ontwikkeling van zijn beleggingen. Als de gepensioneerde geen beleggingen aanhoudt en alleen speculeert op een stijging van de marktrente zijn de risico’s evenals de mogelijke voordelen minder groot.

De pensioenknip biedt het voordeel dat al tijdens de knipperiode de levenlange pensioenuitkeringen aangekocht kunnen worden. De gepensioneerde is dus niet meer gebonden aan één conversiemoment. Om het juiste conversiemoment te kunnen bepalen zal hij de ontwikkeling van zijn beleggingen en marktrente wel goed moeten volgen.

De pensioenknip kan extra kosten met zich meebrengen. Degenen die willen kiezen voor de pensioenknip moeten zich vooral realiseren dat de knip geen enkele garantie geeft op een hoger pensioen na de knipperiode. Het is hierdoor maar zeer de vraag of de pensioenknip wel een aantrekkelijk alternatief is!

(1) Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009. Aanhangsel van de Handelingen, nummer 1482, p. 3113-3114.
(2) Artikel 2 leden 9 en 10 Pensioenwet, nader uitgewerkt in artikelen 3a tot en met 3e Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Zie ook de 'Handreiking pensioenknip' op www.belastingdienstpensioensite.nl
(3) Eerste Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31811, nr. B p. 2
(4) Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31811, nr. 10
(5) AFM, Visie op open norm zorgplicht bij premieovereenkomsten', 21 december 2007 (www.afm.nl)
(6)Staatscourant, nr. 10855, 17 juli 2009. Zie ook bepaling 3.5 sub b van de 'Handreiking pensioenknip'  (www.belastingdienstpensioensite.nl)