Editie maart 2011
Waardeoverdracht: Vraag & Antwoord
Vanaf het moment dat in oktober 2010 de nieuwe rekenrente voor waardeoverdracht bekend werd gemaakt, laaide de discussie over het wettelijk recht op waardeoverdracht weer op. Dit heeft te maken met mogelijke bijbetalingsverplichtingen voor werkgevers die hun pensioenregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar. Tweede Kamerleden Pieter Omtzigt, Eddy Hijum en Roos Vermeij stelden de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hierover een aantal belangrijke vragen. Naast de mogelijke bijbetalingsverplichting voor de werkgever richt de discussie zich op de bestemming van een mogelijk surplus bij inkomende waardeoverdracht. Komt deze ten gunste van de deelnemer of ten gunste van de werkgever?In dit artikel worden de belangrijkste vragen en, waar mogelijk, de antwoorden van de minister belicht. Voor zover de minister nog geen antwoord heeft gegeven, wordt door de auteur zelf invulling gegeven aan wat vanuit de praktijk als wenselijk antwoord wordt ervaren.
Vragen & Antwoorden 2 november 2010 respectievelijk 30 november 2010:
De discussie en onduidelijkheid over aan welke partij bij een inkomende waardeoverdracht een surplus moet toekomen, zijn ontstaan na het antwoord van de minister met betrekking tot het surplus dat aanwezig is bij inkomende waardeoverdracht en de aanwending hiervan. De minister geeft aan dat een daling van de rekenrente ook gunstige effecten kan hebben voor werkgevers bij inkomende waardeoverdracht; mogelijk ontvangen (nieuwe) werkgevers een terugstorting van hun verzekeraar.
Commentaar Zwitserleven
Hoewel dit vanuit de systematiek logisch en wenselijk is, wordt dit niet ondersteund door de huidige wettelijke regels. Zo geeft de Regeling Pensioenwet invulling aan de wettelijke bepalingen over waardeoverdracht. In artikel 19 van de Regeling Pensioenwet wordt gesteld dat, indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag dat nodig is voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken, het verschil ten laste komt van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds. Een overschot wordt niet benoemd.
De toelichting op artikel 19 van de Regeling Pensioenwet stelt tevens dat de totale overdrachtswaarde wordt aangewend voor het inkopen van pensioenaanspraken in de pensioenregeling die is ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder. Daaruit blijkt dat een overschot moet worden aangewend voor het aankopen van aanspraken voor de deelnemer dan wel voor toeslagen voor het gehele deelnemersbestand. In tegenstelling tot het antwoord van de minister op 30 november 2010 wordt in de wet dus niet gesproken over een terugstorting aan de werkgever bij inkomende waardeoverdracht.
Vragen 28 januari 2011 (antwoord minister nog niet beschikbaar):
Op 28 januari 2011 reageren de heer Omtzigt en mevrouw Vermeij op het antwoord van de minister van 30 november 2010 met de vraag of de minister zich realiseert dat zijn antwoord inzake een surplus bij inkomende waardeoverdracht op gespannen voet staat met (de toelichting op) het bovengenoemde artikel 19 van de Regeling Pensioenwet. De minister heeft hier tot op heden nog niet op geantwoord.
Commentaar Zwitserleven
De juiste interpretatie vanuit de systematiek is dat het eventueel aanwezige surplus bij inkomende waardeoverdracht moet worden teruggestort aan de werkgever. Wanneer het surplus wordt aangewend voor het inkopen van aanspraken, dan ontstaan er ‘pensioenwinsten’ voor de deelnemer. Uitsluitend door het veranderen van werkgever en toepassen van het wettelijk recht op waardeoverdracht stijgen de pensioenaanspraken voor de deelnemer en dat zou onterecht zijn.
Vragen 18 februari 2011 (antwoord minister nog niet beschikbaar):
In het kader van de problematiek bij waardeoverdracht stelt de heer Omtzigt op 18 februari 2011 onder andere de onderstaande vragen aan de minister:
- Wordt anno 2011 niet langer aan het financieringvoorschrift van artikel 55 van de Pensioenwet voldaan, nu blijkt dat uitgaande waardeoverdrachten bij verzekeraars niet volledig gedekt zijn, met name als de pensioenreserve bij de verzekeraar deels op een rekenrente van 4,00% is gebaseerd?
- Had artikel 26 Besluit uitvoering Pensioenwet zodanig moeten worden geformuleerd dat een – niet op de oude werkgever te verhalen – tekort ten laste van de overdragende verzekeraar komt waardoor wel aan de financieringsvoorschriften van de PW wordt voldaan?
Commentaar Zwitserleven
De vragen van de heer Omtzigt raken de eerdere vragen en antwoorden. Het lijkt alsof de heer Omtzigt het antwoord van de minister op 30 november 2010 niet goed gelezen heeft. Hierin stelt de minister namelijk het volgende: er is geen sprake van niet-afgefinancierde verplichtingen. Op grond van de Wet op het Financieel Toezicht (dit is een vergissing van de minister aangezien hier de Pensioenwet wordt bedoeld) dienen werkgevers de pensioenaanspraken af te financieren bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling. De bijbetalingen, zoals hier bedoeld, vinden niet hun oorzaak in onvoldoende affinanciering door de werkgever bij beëindiging van de deelname, maar in verschillen in rentevoeten als waardeoverdracht plaatsvindt. Het gaat dan om verschillen tussen de rentevoet die de verzekeraar hanteert voor de bepaling van de technische voorzieningen en de rentevoet die geldt voor de berekening van de over te dragen waarde. Ondanks dat de minister nog niet officieel op deze vraag geantwoord heeft, lijkt het antwoord dus al besloten te liggen in het antwoord dat hij reeds gaf op 30 november 2010.
Zodra de minister met antwoorden komt op de vragen van 28 januari 2011 en 18 februari 2011 zullen wij hier aandacht aan besteden in i-tems.
Aloys Bart
Juridische Zaken/Praktijkgroep Pensioenrecht
