Lijfrentevoorstellen
In de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is een aantal voorstellen voor lijfrenten gedaan. De belangrijkste voorstellen geven wij hieronder weer. De eerste twee voorstellen gelden zowel voor de lijfrenteverzekering als de bancaire lijfrente.
10. Terugwentelingsmogelijkheid
De mogelijkheid om de inleg voor een lijfrente die is betaald in de eerste drie maanden van een jaar terug te wentelen naar het voorgaande jaar, komt te vervallen. Voor ondernemers die de stakingswinst of de oudedagsreserve omzetten in een lijfrente blijft de terugwentelingsmogelijkheid (van zes maanden) wel bestaan.
11. Redelijke termijn
Na expiratiedatum van een lijfrente dient binnen een redelijke termijn te worden vastgesteld wat er met het expiratiekapitaal moet gebeuren. In beleidsregels is gesteld dat de redelijke termijn bij in leven zijn zes maanden en bij overlijden twaalf maanden bedraagt. In de praktijk levert het voldoen aan deze termijn veel problemen op. Voorgesteld is een wettelijke regeling waarbij de redelijke termijn een stuk ruimer is gesteld dan in de huidige beleidsregels. De redelijke termijn eindigt bij het einde van het kalenderjaar volgend op het jaar van expiratie. Bij overlijden eindigt deze bij het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar van expiratie.
12. Splitsingsproblematiek pré-brede-herwaarderingslijfrente
In het Belastingplan 2009 is geregeld dat lijfrenteverzekeringen integraal in box 1 in aanmerking worden genomen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de saldomethode. Voor pré-brede-herwaarderingsverzekeringen die vanaf 2001 ongewijzigd en premiebetalend werden voortgezet, gold deze regeling niet. In het Belastingplan 2010 is nu voorgesteld het overgangsrecht aan te passen zodat deze regeling nu ook van toepassing is op deze verzekeringen. Voor de premie betaald tussen vanaf 2001 tot 2009 geldt hiervoor de onbeperkte saldomethode in box 1. Voor de premies betaald vanaf 2009 geldt de saldomethode tot een bedrag van € 2.269 per jaar. Door deze regeling worden alle lijfrenten integraal aan box 1 toegewezen, tenzij een lijfrente als box 3 product is vormgegeven en dus niet voor aftrek in aanmerking komt/is gekomen.
Ons commentaar
Vooringevulde aangifte
Het afschaffen van de terugwentelingsmogelijkheid heeft te maken met de introductie van de vooringevulde aangifte (VIA). De uitvoering van de VIA wordt namelijk bemoeilijkt door deze terugwentelingsmogelijkheid. Het staat immers op voorhand niet vast ten laste van welk belastingjaar de lijfrente-inleg in de eerste drie maanden van een kalenderjaar wordt gebracht. De vraag is wel of een uitvoeringstechnisch probleem de afschaffing van de terugwenteling rechtvaardigt. Overigens is het ook zo dat de relevante gegevens voor de lijfrente-aftrek al in de loop van het jaar ten laste waarover de aftrek wordt geclaimd, bekend zijn. De gegevens van het voorgaande jaar zijn immers bepalend voor de hoogte van de lijfrente-aftrek. Wel zullen de belastingplichtigen er zich bewust van moeten zijn dat bij de aangifte voor het jaar 2009 voor het laatst kan worden teruggewenteld. De uitbreiding van de redelijke termijn is voor de praktijk zeer welkom. In de Toelichting wordt nog aangegeven dat in overleg met de branche wordt onderzocht in hoeverre het mogelijk en wenselijk is om tot inhouding van loonbelasting over te gaan bij overschrijding van de redelijke termijn.
Geen splitsing meer
Op verzoek van het Verbond van Verzekeraars is de splitsingsproblematiek bij pre-brede herwaarderingslijfrenten nu ook opgelost. Het gaat hierbij overigens om een beperkt aantal verzekeringen. Het betreft namelijk verzekeringen die niet zijn aangepast aan de Wet IB 2001 en bovendien vanaf 2001 premiebetalend zijn. Door alle lijfrenteverzekeringen integraal te belasten in box 1 hoeft er geen splitsing in een box 1 en box 3 deel meer plaats te vinden. Deze splitsing leidde tot veel complicaties en uitvoeringslasten, maar behoort nu tot de verleden tijd.
