Donner ruimt op. Kamerleden doen mee
Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zet de puntjes op de ‘i’ voor een groot aantal wetten die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Onderwerpen als ‘Beleggingsknip’ en ‘Shoppen met nabestaandenpensioen’ vallen hieronder. U las hierover in eerder publicaties van ‘i-tems’. De leden van de Tweede Kamer Omtzigt en Spekman hebben deze - voorlopig - laatste kans aangegrepen om hun stokpaardjes nog eens te berijden. Dat heeft geleid tot een voorstel met wel heel merkwaardige bijwerkingen …
Het voorstel van Omtzigt/Spekman
Het voorstel van de Kamerleden Omtzigt en Spekman is duidelijk in zijn kortheid, namelijk “Het doorberekenen van kosten in het kader van een premieovereenkomst vindt evenredig in de tijd plaats”. Omtzigt en Spekman willen hiermee de bepaling die destijds onder de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) gold expliciet in de Pensioenwet (PW) opnemen.
Het doel van tijdsevenredige financiering is te voorkomen dat uitvoeringskosten (bijna) helemaal in het begin van de looptijd van een pensioenverzekering in rekening worden gebracht. Door de kosteninhoudingen evenredig in de tijd te laten plaatsen, wordt voldaan aan de norm van een tijdsevenredige opbouw. Op grond van het voorstel is het dus niet mogelijk om na beëindiging van de deelneming kosten in mindering te brengen op de polis. Dit zou in strijd zijn met de tijdsevenredigheid. Kosten kunnen immers alleen in mindering gebracht worden op de premie.
De merkwaardige bijwerkingen
En om die laatste zin gaat het nu: het is niet mogelijk om na de beëindiging van de deelneming kosten in mindering te brengen op de polis omdat er dan geen premie meer is. En dan komen we op de merkwaardige bijwerkingen.
- De kosten in verband met beleggingen mogen niet worden onttrokken aan de beleggingswaarde. Ook de voormalige werkgever of de verzekeraar zal deze kosten niet dragen, maar toch worden er kosten gemaakt voor de uitvoering van deze premieovereenkomst op basis van beleggingen. Hoe kunnen die kosten worden voorkomen? Er is een uitweg door de beleggingswaarde op ontslagdatum contractueel verplicht om te zetten voor de aankoop van een verzekerd kapitaal c.q. een verzekerde levenslange rente.
Een dergelijke omzetting heeft vergaande gevolgen voor de grondslagen van lifecycle fondsen en het advies dat de pensioenuitvoerder verplicht is te geven bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. Immers, de tijdshorizon is dan niet meer de pensioengerechtigde leeftijd, maar de datum van beëindiging van het dienstverband. En zoals algemeen bekend is, is de gemiddelde periode dat een werknemer werkzaam is bij dezelfde werkgever (dus onder hetzelfde pensioencontract valt) een periode van 6 tot 7 jaar.Daarmee is dan de beursontwikkeling op het moment dat een werknemer ontslag neemt en gewezen deelnemer wordt van doorslaggevend belang op de uiteindelijke hoogte van het pensioen van betrokkene.
Dit effect kan niet genoeg onderkend worden. Het impliciete gevolg van het amendement Omtzigt/Spekman is een variant op Het Rad van Fortuin en komt als zeer ongewenst voor.
- Het tweede neveneffect heeft betrekking op de uitruil van ouderdomspensioen (OP) naar partnerpensioen (PP) bij uitdiensttreding. Als na uitdiensttreding niets meer mag worden ontrokken aan de beleggingswaarde, dan kan wellicht ook geen uitvoering worden gegeven aan de uitruil van OP naar PP. De onttrekking van eenjarige risicopremies zou dan niet meer toegestaan zijn. Of de uitruil op de datum van uitdiensttreding wel tegen koopsom kan, is nog een openstaande vraag.Hierdoor lijkt één van de andere speerpunten van Omtzigt (voldoende dekking partnerpensioen) tot een dode letter te worden.
De bovenstaande gevolgen lijken ons onbedoeld en volstrekt ongewenst. Dientengevolge zal het alleen al hierom mogelijk moeten zijn kostenonttrekkingen in verband met beleggingen toe te staan. De minister zal bij de behandeling in de Eerste Kamer duidelijkheid moeten verschaffen.
Drs Poul Gelderloos,
FiZie, Fiscale en juridische zaken & beleid
Fizie@zwitserleven.nl
