i-tems
De commissies Frijns en Goudswaard hebben hun rapporten afgeleverd (wij meldden u dat in de i-tems van februari 2010). Hoewel de Tweede Kamer de behandeling van deze rapporten controversieel heeft verklaard, heeft minister Donner onlangs de kabinetsvisie op het aanvullende pensioenstelsel gepubliceerd. En daar ligt het te wachten op het nieuwe parlement. Maar wat staat er nu in die kabinetsvisie?
Fundamenten van het Nederlandse pensioenstelsel intact laten
Het kabinet begint in de kabinetsvisie met te stellen dat het Nederlandse pensioenstelsel beter dan in veel andere landen is voorbereid op de aankomende vergrijzing. Hierbij denkt het kabinet met name aan elementen als collectiviteit, solidariteit en kapitaaldekking. Deze elementen worden ondersteund door de mogelijkheid van verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds.
Nederlandse pensioenstelsel is toch kwetsbaar
Ondanks deze stevige fundamenten is het Nederlandse stelsel kwetsbaar gebleken. De recente financiële crisis in 2008/2009 heeft laten zien dat juist de hoge mate van kapitaaldekking het stelsel gevoelig maakt voor schokken op de financiële markten. Dit effect wordt nog versterkt door een verdergaande mate van vergrijzing en een stijgende levensverwachting.
Daarnaast zijn pensioenfondsen door de dalende rente steeds meer aangewezen op risicovolle beleggingen. Hierbij hebben zij ervaren dat het risicodraagvlak dat nodig is om de risico’s op te vangen is afgenomen door de combinatie van vergrijzing en ontgroening (de combinatie dus van meer ouderen en minder jongeren).
Oplossingsrichtingen kabinet
Het kabinet kiest ervoor maatregelen te nemen op onder andere de volgende terreinen:
- De verwachting van de deelnemer over zijn pensioen zal beter moeten worden gemanaged. De deelnemer verwacht een zekere en hoge uitkering waarvan de koopkracht op peil blijft. Om dat te kunnen realiseren zal de pensioenuitvoerder wel meer risico’s moeten nemen. Over deze risico’s zal de pensioenuitvoerder meer en duidelijker moeten communiceren met de deelnemer.
- Pensioenfondsen zullen een expliciete afweging moeten maken tussen ambitie, zekerheid en kosten. Bij die afweging is de reële ambitie van het fonds (resulterend in een geïndexeerd pensioen) uitgangspunt voor zijn financiële opzet.
- Als onderdeel van het wegnemen van ongewenste gevolgen van de koersschommelingen voor het niveau van dekkingsgraden, stelt het kabinet voor een wachttijd te hanteren voordat een herstelplan behoeft te worden ingediend. Het kabinet denkt hierbij aan een periode van bijvoorbeeld negen maanden.
- Voor nieuwe pensioenregelingen zal een uitbreiding van het wettelijk kader worden gegeven. Hierdoor moet het mogelijk zijn om voorwaardelijke pensioenaanspraken toe te kennen, bijvoorbeeld door de hoogte van de pensioenaanspraken afhankelijk te laten worden van een verdere stijging van de levensverwachting. Een andere mogelijkheid in dit kader kan zijn om pensioenfondsen toe te staan een gedifferentieerd beleggingsbeleid te voeren afhankelijk van de verschillende leeftijdsgroepen van werknemers. Het kabinet heeft hierbij met name een verschil tussen jongere en oudere werknemers op het oog. Voor jongere werknemers zou een risicovoller beleggingsbeleid mogelijk moeten zijn dan voor oudere.
Vooralsnog wil het kabinet niet tornen aan de systematiek van doorsneepremies voor pensioenfondsen. Wel zal het kabinet een onderzoek opstarten om de voor- en nadelen van doorsneepremies te inventariseren.
De problematiek van de pensioenopbouw van zzp-ers is door het kabinet voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad. Het kabinet wil het advies afwachten voordat het met voorstellen komt.
Poul Gelderloos, Juridische Zaken / Praktijkgroep Pensioenrecht
